Specificaties voor verblijfsvoorzieningen
De toekomstige wetgeving, waaronder de Omgevingswet en de Omgevingsregeling, stelt gedetailleerde eisen aan de afmetingen, locatie en hoeveelheid verblijfsvoorzieningen voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Deze eisen zijn niet alleen bedoeld om de dieren een plek te bieden, maar ook om de biodiversiteit te bevorderen en de populaties van beschermde diersoorten in stand te houden. De hoeveelheid voorzieningen hangt af van de netto verliesoppervlakte van de dichte (niet-transparante) gevel en het dak van het bouwwerk, zoals berekend volgens de norm NTA 8800.
Huismussen en gierzwaluwen
Volgens de toekomstige wetgeving moet voor elke woning met een netto verliesoppervlakte van minder dan 110 m² ten minste twee verblijfsvoorzieningen worden geplaatst: één voor de huismus en één voor de gierzwaluw. Bij grotere gebouwen neemt het aantal voorzieningen toe. Bij een rijtjeswoning of grotere complexen kunnen voorzieningen worden gegroepeerd, bijvoorbeeld aan de kopgevel, omdat huismussen vaak in groepen nestelen. Dit biedt voordelen voor zowel de dieren als het ontwerp van het gebouw.
Vleermuizen
Voor vleermuizen geldt een andere benadering. De toekomstige wetgeving schrijft voor dat er een bepaald percentage van de totale gevel- en dakoppervlakte moet worden gereserveerd voor zogenaamde “hangoppervlakken”, waar vleermuizen kunnen rusten. Dit percentage bedraagt minimaal 2% van de netto verliesoppervlakte van de gevel en het dak. Vleermuizen maken gebruik van specifieke microklimaten en kunnen pas succesvol verblijven als de voorzieningen aan hun behoeften voldoen. Het hangoppervlak moet bovendien voorzien zijn van voldoende grip voor de vleermuizen, zodat zij zich kunnen vastklampen en kunnen rusten. Dit kan door bijvoorbeeld het gebruik van ruwe materialen die grip bieden voor hun klauwen.
Hoogte en toegankelijkheid
Er gelden specifieke eisen voor de hoogte van de voorzieningen. De verblijfsvoorzieningen mogen niet hoger liggen dan 25 meter boven het maaiveld, aangezien hogere plekken vaak ongeschikt zijn voor de dieren. Voor huismussen en gierzwaluwen moeten de voorzieningen tussen 3 en 25 meter worden aangebracht. Dit is cruciaal omdat hogere niveaus, boven de 25 meter, vaak minder aantrekkelijk zijn voor de dieren. De geveloppervlakte boven deze hoogte mag dan ook niet worden meegerekend voor het bepalen van het aantal en de grootte van de voorzieningen. De voorziening moet zo worden geplaatst dat de toegang voor de dieren eenvoudig en veilig is, met een vrije invliegroute. Naast de afmetingen en het aantal verblijfsvoorzieningen is de positionering van deze voorzieningen essentieel voor het succes van de diersoorten. De plaatsing van de voorzieningen moet zorgvuldig worden overwogen om zowel de bescherming van de dieren als hun toegang te optimaliseren.
Oriëntatie en beschutting
Voor de plaatsing van de voorzieningen moet ook rekening worden gehouden met de oriëntatie van het gebouw. De ligging van de voorzieningen op een zuidelijke gevel of dakvlak kan leiden tot oververhitting, wat vooral schadelijk is voor gierzwaluwen. Zij zijn gevoelig voor te hoge temperaturen in de zomer, wat kan leiden tot uitval van jongen of het verlaten van het nest. Hoewel er geen wettelijke verplichtingen zijn voor de oriëntatie, adviseren wij bij het ontwerpen van verblijfsvoorzieningen om te zorgen voor voldoende beschaduwing of een locatie die niet direct in de zon ligt, zodat de dieren een geschikt microklimaat kunnen vinden.