Binnen de gemeente Raalte worden steeds meer woningen verduurzaamd via de landelijke aanpak Natuurvriendelijk Isoleren (NVI). Gebouwbewonende vleermuizen maken echter veelvuldig gebruik van spouwmuren, dakranden, gevelbetimmeringen en andere constructiedelen als verblijfplaats. Wanneer deze gebouwen worden nageïsoleerd verdwijnen dergelijke verblijfplaatsen vaak. Om te voorkomen dat lokale populaties onder druk komen te staan, moeten vooraf voldoende alternatieve verblijfplaatsen beschikbaar zijn.
In opdracht van de gemeente Raalte realiseerde Unitura daarom een netwerk van vleermuisvoorzieningen verspreid over meerdere kernen binnen de gemeente. De voorzieningen zijn afgestemd op verschillende soorten en functies binnen de levenscyclus van vleermuizen.
Een belangrijk onderdeel van de compensatieopgave richt zich op de Laatvlieger (Eptesicus serotinus). Deze soort vormt in de zomer kraamkolonies waarbij tientallen vrouwtjes gezamenlijk hun jongen grootbrengen.
Voor dergelijke kraamgroepen zijn kleine vleermuiskasten onvoldoende. De dieren zoeken grotere verblijven waarin temperatuurgradiënten aanwezig zijn. Hierdoor kunnen ze gedurende de dag verschillende plekken binnen het verblijf gebruiken om de optimale temperatuur voor zichzelf en hun jongen te vinden.
Om deze reden is gekozen voor toepassing van een op maatgemaakte 2-laags VML2-dakrandvoorziening. Deze voorziening creëert een langgerekte verblijfsruimte direct onder de dakrand. Door de omvang van het verblijf ontstaat een stabiel microklimaat met voldoende ruimte voor grotere groepen dieren. Bovendien sluit de ligging onder de dakrand goed aan bij het natuurlijke gedrag van laatvliegers, die vaak via gevel- en dakconstructies gebouwen binnenkomen.
Naast voorzieningen voor laatvliegers zijn binnen het project op meerdere locaties VMPMK1-vleermuiskasten geïntegreerd in het metselwerk. Deze permanente inbouwvoorzieningen zijn specifiek ontwikkeld voor gebouwbewonende vleermuissoorten en sluiten qua functie aan op verblijfplaatsen die verloren kunnen gaan tijdens isolatiewerkzaamheden.
De VMPMK1 is opgebouwd uit meerdere gekoppelde verblijfskamers van houtbeton. Door de modulaire opbouw ontstaat een groot intern verblijf met drie afzonderlijke lagen. Hierdoor kunnen vleermuizen zich binnen de voorziening verplaatsen naar plekken met verschillende temperaturen en luchtvochtigheden.
Dit is vooral van belang voor kraamkolonies van soorten zoals de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii). Tijdens de kraamperiode zijn stabiele microklimaten essentieel voor de ontwikkeling van jongen. De combinatie van meerdere verblijfslagen en het warmtebufferende vermogen van houtbeton zorgt ervoor dat temperatuurpieken worden afgevlakt en geschikte omstandigheden langer behouden blijven. De kast biedt daarnaast potentie als paar-, zomer- en overgangsverblijf.
Niet iedere maatregel vraagt om het toevoegen van nieuwe voorzieningen. Op diverse locaties zijn open stootvoegen gerealiseerd. Deze openingen geven vleermuizen toegang tot bestaande spouwruimten die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats. Wanneer een spouw voldoende functioneel is, kan het behouden van toegang ecologisch waardevoller zijn dan het plaatsen van een nieuwe kast.
Binnen soortenbescherming draait het niet om individuele vleermuiskasten, maar om functionele netwerken van verblijfplaatsen. Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar verschillende locaties voor paarverblijven, zomerverblijven, kraamkolonies, tijdelijke rustplaatsen en overwintering.
Om die reden is binnen de gemeente Raalte bewust gekozen voor een combinatie van VML2-dakrandvoorzieningen, VMPMK1-inbouwvoorzieningen, open stootvoegen en VMWM3-voorzieningen. Iedere maatregel vervult een eigen ecologische functie binnen het grotere geheel.