Wij helpen je graag verder met vraagstukken rondom natuurinclusiviteit
Deze vleermuiskast is speciaal ontworpen voor de plaatsing in gootbetimmeringen. Nu met nieuwe entreesteen!
Binnen deze productlijn zijn daarnaast ook voorzieningen opgenomen voor de gierzwaluw (GZP3) en de huismus (HMP3).
Ontwerp
De kast is opgebouwd uit multiplex. Hierdoor zijn de kasten licht van gewicht en gemakkelijk bewerkbaar. De voorziening is voorzien van een nieuwe entreesteen met landingsnok. Afhankelijk van de hoek van de voorziening kan de nok functioneren als landingsplatform of extra opvallend markeringspunt van de voorziening. Door de entree van de voorziening wat meer naar voren te laten komen zullen vleermuizen de voorziening eerder vinden. De entreestenen steken iets uit. Hierdoor kan gevelbekleding gemakkelijk rond de entreesteen afgewerkt worden.
Geschikt voor
De vleermuiskast is speciaal ontworpen als zomerverblijfplaats en paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. De voorziening heeft ook potentie als verblijfplaats voor andere gebouw bewonende vleermuissoorten, zoals de grootoorvleermuis en laatvlieger.
Plaatsing
De kasten kunnen direct achter gevelbekleding worden geplaatst. Kast VMP3 wordt onder meer toegepast in gootbetimmering G1. Het is mogelijk om meerdere voorzieningen in één betimmering te verwerken.
Vleermuizen gebruiken een netwerk aan verblijfplaatsen op verschillende oriëntaties. Vleermuiskasten kunnen dan ook het beste worden verdeeld over zoveel mogelijk verschillende oriëntaties en locaties. Vleermuizen zoeken verblijfplaatsen langs hoeken en randen. Plaats vleermuiskasten op gebouwen zoveel mogelijk langs dakranden en richels. De basis stelregel is dat vleermuiskasten altijd zo hoog mogelijk geplaatst moeten worden, maar tenminste op 3m hoogte. Zorg dat er vrij ruimte is onder de kast. Zie voor een uitgebreidere toelichting het Handboek van Unitura .
De term grote vleermuiskasten komt voort uit het kennisdocument Gewone Dwergvleermuis van BIJ12. Met deze aanduiding worden vleermuiskasten bedoeld die geschikt zijn voor meer dan 10 vleermuizen. Voorbeelden van deze kasten zijn bijvoorbeeld de VMT2, de VMT2a en de VMPMG1.
Inbouwvleermuiskasten zijn van houtbeton gefabriceerde neststenen die opgenomen kunnen worden in het metselwerk. Voorbeelden van deze vleermuiskasten zijn onder meer de VMPM1 en de VMPM1e.
De term kleine vleermuiskasten komt voort uit het kennisdocument Gewone Dwergvleermuis van BIJ12. Met deze aanduiding worden vleermuiskasten bedoeld die geschikt zijn voor maximaal 10 vleermuizen. Voorbeelden van deze kasten zijn bijvoorbeeld de VMT1, de VMT1a, de VMTH1, de VMPM1 en de VMPM1e.
In mitigatietrajecten onder de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen permanente en tijdelijke vleermuiskasten. Doorgaans worden eerst tijdelijke vleermuiskasten aangeboden in de directe omgeving van een gebouw dat gesloopt of gerenoveerd wordt. Vleermuizen kunnen dan tijdelijk naar deze kasten uitwijken totdat de permanente vleermuiskasten in het nieuwe of gerenoveerde gebouw beschikbaar komen. Doorgaans kunnen vleermuiskasten pas als ‘permanent’ aangemerkt worden als ze zeer duurzaam zijn (de zelfde levensduur hebben als een gebouw) en als ze onderdeel zijn van de architectuur van het gebouw (de kasten mogen niet makkelijk verwijderd kunnen worden).
Vleermuiskasten zijn kunstmatige verblijfplaatsen, speciaal ontwikkeld om vleermuizen een verblijfplaats te bieden op plekken waar deze van nature niet voorkomen. Elke vleermuissoort stelt zijn eigen fysieke eisen aan een vleermuiskast. In de mitigatiecatalogus van Arcadis en in de kennisdocumenten van BIJ12 zijn deze fysieke eisen weergegeven.
Wij helpen je graag verder met vraagstukken rondom natuurinclusiviteit