Zoek in onze website

  • Zoeken...

Gratis catalogus

Vraag hieronder onze gratis catalogus aan

"*" geeft vereiste velden aan

E-mailadres*
Faunavoorzieningen

Bonusbewoners in nestkasten Geplaatst op: 24 september 2026

BLOG

Bonusbewoners in nestkasten: wat leren onverwachte bewoners ons?

Een huismus in een gierzwaluwkast. Een koolmees in een huismuskast. Of een huismus die een vleermuisvoorziening gebruikt om even in te schuilen. We ontwerpen nest- en verblijfvoorzieningen voor specifieke soorten, maar in de praktijk blijken dieren zich niet altijd aan die verdeling te houden. We noemen ze bonusbewoners. Voor een ecoloog kunnen ze interessante informatie opleveren over het gebruik en de omgeving van een voorziening. Maar waarom kiezen soorten eigenlijk voor een voorziening die oorspronkelijk voor een andere soort is ontwikkeld? En wat kunnen we daarvan leren? We vroegen het aan Ruud.

Wat zijn bonusbewoners?

“Bonusbewoners zijn dus soorten die in voorzieningen komen die niet voor hen bedoeld zijn. Zoals huismus in vleermuiskasten of huismus in gierzwaluwkasten. Of koolmezen, pimpelmezen in huismuskasten en gierzwaluwkasten.”

Dat betekent overigens niet dat iedere bonusbewoner een voorziening ook daadwerkelijk als nest gebruikt. Een kast kan bijvoorbeeld ook interessant zijn om tijdelijk in te schuilen. Vooral de huismus komt Ruud regelmatig op onverwachte plekken tegen. “Huismussen maken voornamelijk gebruik van voorzieningen die niet voor hen bedoeld zijn. Voornamelijk naast de huismuskasten zelf gebruiken ze dus ook gierzwaluwkasten, maar ook vleermuiskasten. Niet per se om een nest te maken, maar wel om te schuilen en te poepen, etcetera.”

Dat sluit aan bij de richtlijnen uit het Kennisdocument Huismus van BIJ12. Daarin wordt beschreven dat een huismus zich relatief gemakkelijk kan aanpassen aan de beschikbare broedruimte. Tegelijkertijd is een geschikte nestvoorziening alleen niet voldoende. Ook de omgeving telt mee, waaronder de aanwezigheid van dekking, voedsel en andere functionele onderdelen van het leefgebied.

Project Kloosterakker Assen

Soms zegt de bonusbewoner meer over de omgeving dan over de kast

Een van de belangrijkste lessen uit het gesprek met Ruud is daarom dat je bij onverwacht gebruik niet te snel alleen naar de voorziening moet kijken.

“De bezetting van een kast door een bonusbewoner zegt eigenlijk meer iets over de omgeving van waar die kast is. En van de bonusbewoner dan de kast zelf.”

Stel dat in een wijk tientallen huismuskasten aanwezig zijn. In diezelfde wijk leven ook koolmezen, terwijl geschikte nestholtes voor die soort nauwelijks beschikbaar zijn. Dan kan een huismuskast ineens een interessant alternatief worden. Ruud geeft precies dat voorbeeld:

“Als bijvoorbeeld heel veel huismuskasten in een wijk hangen en er zijn geen koolmeeskasten. En er is wel een heel goed habitat voor de koolmees. Dan gaat die heel graag in die huismuskast zitten. Maar heb je bijvoorbeeld een wijk met zowel koolmeeskasten als huismuskasten. Zou die koolmees waarschijnlijk toch meer neigen naar de koolmeeskast dan de huismuskast.”

Voor ecologen maakt dat waarnemingen van bonusbewoners interessant. De waarneming van een koolmees in een huismuskast kan juist aanleiding zijn om te kijken naar het totale aanbod van nestgelegenheid en de kwaliteit van het omliggende habitat.

Hoe belangrijk is de invliegopening?

Een belangrijk verschil tussen soortspecifieke voorzieningen zit in de entree. Afmetingen en vorm worden afgestemd op de soort waarvoor een voorziening is ontwikkeld. Toch houdt het daar volgens Ruud niet op.

“Wat de voorziening geschikt maakt voor bonusbewoners is vaak de binnenkant van de voorziening. De entree is aangepast op de verschillende soorten. Zo is die voor de huismus wat groter dan voor de koolmees. Maar voor de gierzwaluw is die ovaler dan voor de huismus. Maar de binnenkant is eigenlijk altijd hetzelfde. Heel iets verschillend, maar vaak niet. En dat zorgt ervoor dat als die door die entreesteen is en hij is er tevreden mee, dan is de voorziening ook goed.”

Een entree kan dus helpen om een voorziening op een doelsoort af te stemmen, terwijl de ruimte daarachter soms ook voor andere soorten aantrekkelijk blijkt. Dat kan vervolgens weer informatie opleveren voor productontwikkeling. Ruud noemt het voorbeeld van huismussen die vleermuisvoorzieningen binnengingen:

“Wel zie je dat bijvoorbeeld huismussen dus ook gebruik maken van vleermuiskasten. Omdat die opening drie centimeter was. En vervolgens niet meer worden gebruikt door vleermuizen. Dus we hebben die opening aangepast naar twee centimeter. Zodat die huismus er minder makkelijk in gaat. En dus meer geschikt is voor de vleermuis.”

Juist zulke praktijkwaarnemingen zijn waardevol. Een voorziening wordt ontworpen vanuit kennis over een soort, maar monitoring laat uiteindelijk zien hoe dieren er daadwerkelijk mee omgaan.

Ook gedrag bepaalt of een plek aantrekkelijk is

Het gaat bovendien om meer dan alleen afmetingen. Verschillende soorten gebruiken de omgeving van hun nestplaats op een andere manier.

“Wat je dus ook ziet is dat huismussen voorkeur hebben aan een plek waar ze vanaf kunnen roepen. Dat is vaak of een plankje voor de kast of ergens een riggeltje of een dakgoot voor de kast. Wat ze dan doen is ze roepen om het vrouwtje. Dan komt het vrouwtje aanvliegen en dan proppen ze snel het nest naar binnen.” Bij een gierzwaluw ligt dat anders, vertelt Ruud: “die hebben dat helemaal niet. Die vliegen eigenlijk direct het nest in en moeten vooral een goede aanvliegen route hebben op het nest.”

Is een bonusbewoner een probleem?

Dat hangt af van de reden waarom de voorziening is aangebracht. Bij een natuurinclusief project waarin vrijwillig extra nestgelegenheid wordt toegevoegd, kan gebruik door een andere soort vooral een interessante extra waarneming zijn. Bij mitigatie of compensatie ligt dat genuanceerder. Daar wordt een voorziening toegepast om een bepaalde functie voor een specifieke doelsoort te realiseren.

“Een voorziening wordt eigenlijk geplaatst voor een doelsoort. Dus een huismuskast voor een huismus. En wanneer deze door de koolmees wordt gebruikt, wordt het daadwerkelijke doel niet bereikt. Maar de kast wordt wel bezet. Wat een goed iets is.” Eén koolmees in één huismuskast betekent volgens hem echter niet direct dat het complete pakket aan maatregelen niet functioneert.

“En vaak is het ook niet zo’n heel groot probleem. Omdat je ziet dat er in compensatie meerdere kasten worden geplaatst. Die ook door huismussen worden gebruikt. Dus door een wijk heen worden bijvoorbeeld vijftig huismuskasten gebruikt. Nou, als dertig daarvan door huismussen worden gebruikt. En twee door koolmees, dan is dat prima.”. Bij ecologische maatregelen blijft het daarom belangrijk om het functioneren van het geheel en de specifieke projectcontext te beoordelen. Het feit dat een voorziening bezet is, vertelt op zichzelf nog niet of de beoogde functie voor de oorspronkelijke doelsoort ook wordt gerealiseerd.

Wat kunnen we van bonusbewoners leren?

Daar zit uiteindelijk de belangrijkste reden om bonusbewoners serieus te nemen. “Bonusbewoners geven heel veel informatie over hoe een voorziening wordt gebruikt in het wild.” Zo zegt Ruud:  “Een onverwachte bewoner zegt één iets over de omgeving waar die kast wordt opgehangen. Maar ook over hoe wij naar kasten kijken.”. Voor ecologen maakt dat monitoring extra waardevol. Welke soort gebruikt de voorziening daadwerkelijk? Zijn er patronen zichtbaar tussen verschillende locaties? Welke alternatieve verblijfplaatsen zijn beschikbaar? En wat zegt onverwacht gebruik over het lokale aanbod? En voor ons als ontwikkelaar leveren onverwachte bewoners weer nieuwe vragen op. Welke ontwerpkeuzes blijken in de praktijk goed te werken? Waar ontstaat concurrentie? En welke details kunnen nog beter worden afgestemd op de doelsoort?

© 2026 Unitura Algemene voorwaarden Privacy